Taal

Het gaat om het kennen van de betekenis van de volgende woorden.

De woordenschatwoorden uit thema 3 (licht) zijn:

aansluiten 
dimmen
de fitting
flakkeren
fluorescerend
infrarood
kunstmatig
de levensduur
de lichtbron
natuurlijk
het neonlicht
het principe
de reflector
het schijnsel
sfeervol
sneuvelen
ultraviolet
verbinden
het verschijnsel
het weerlicht     
   

De woordenschatwoorden uit thema 2 (familie) zijn:

de bloedverwant
doorsnee
erven
het geslacht
de gezinscoach
de gezinsuitbreiding
harmonieus
de historie
junior
de nakomeling
de nazaat
opvolgen
de partner
het probleemgezin
roemrucht
senior
de stamvader
de telg
de vete
zorgzaam     

afstammen
aangetrouwd
adopteren
de anekdote
de autobiografie
het familiewapen
de genen
het gezinsleven
hecht
de kennisgeving
het ouderlijk huis
de pleegzorg
de roepnaam
de schoonzus
de zwager
de stamboom
de traditie
de verwantschap
de voogd
de voorouder